Kan het boek Openbaring voor 70AD geschreven zijn?
En zo ja, wat zijn de argumenten hiervoor?
Zo nee, welke argumenten worden hiervoor aangedragen?
Ja, het is mogelijk dat het boek Openbaring vóór 70 na Christus werd geschreven, en er zijn verschillende argumenten voor en tegen deze vroege datering. De datering van Openbaring is een belangrijk onderwerp in de theologie, vooral met betrekking tot de interpretatie van de profetieën over de vernietiging van Jeruzalem en de toekomst van de wereld.
(Zie ook dit artikel over de datering van alle geschriften van de Apostel Johannes).
Argumenten voor een vroege datering (voor 70 na Christus)
Voorstanders van een vroege datering, meestal geassocieerd met de gedeeltelijke preteristische interpretatie van Openbaring, geloven dat het boek geschreven werd onder keizer Nero (rond 64-68 na Christus). Hier zijn enkele argumenten:
1. Interne aanwijzingen over de tempel
2. Het ‘zesde koningschap’ van Openbaring 17:9-10
In dit gedeelte wordt gesproken over zeven koningen: “Vijf zijn gevallen, één is, de andere is nog niet gekomen.”
• Als we deze koningen beschouwen als de Romeinse keizers, dan zou Nero (de zesde keizer) regerend zijn op het moment van schrijven,
wat zou betekenen dat Openbaring rond 64-68 na Christus werd geschreven.
3. Het getal van het beest (666) en Nero
• Openbaring 13:18 geeft de beroemde verwijzing naar het getal 666:
“Wie verstand heeft, laat hij het getal van het beest berekenen, want het is een getal van een mens, en zijn getal is 666.”
• Veel geleerden geloven dat de naam “Nero Caesar” in Hebreeuwse gematria exact 666 oplevert, wat suggereert dat Nero de ‘beest’-figuur was,
en dat het boek geschreven is tijdens of kort na zijn regering.
4. Vroege kerktraditie en getuigenissen
• Sommigen beweren dat vroege kerkvaders, zoals Papias en andere vroege christelijke schrijvers, indirect suggereren dat
Openbaring geschreven werd vóór de val van Jeruzalem.
Argumenten voor een late datering (rond 95-96 na Christus)
De meeste traditionele christelijke geleerden houden vast aan een late datering, tijdens de regering van keizer Domitianus. De belangrijkste argumenten hiervoor zijn:
1. Getuigenis van Irenaeus (ca. 180 na Christus)
• Irenaeus schreef dat Openbaring “bijna in onze eigen tijd” werd ontvangen, “aan het einde van de regering van Domitianus”.
• Dit wordt vaak gezien als het sterkste argument voor een late datering. (Tegen ketterij, Boek V, Hoofdstuk 30)
2. Vervolging onder Domitianus
• Openbaring 1:9 vermeldt dat Johannes op Patmos was vanwege zijn getuigenis over Christus.
• Hoewel er onder Nero christenvervolgingen waren, beweren voorstanders van de late datering dat de wijdverspreide keizerlijke cultus,
en de onderdrukking van christenen onder Domitianus beter overeenkomen met de situatie in Openbaring.
3. Toestand van de gemeenten in Klein-Azië
• De brieven aan de zeven gemeenten (Openbaring 2-3) beschrijven kerken die een gevestigde structuur en geestelijke achteruitgang vertonen.
• Dit zou beter passen bij een latere periode (95-96 na Christus), waarin de kerken langer bestonden en uitdagingen van binnenuit,
en buitenaf ondervonden.
4. De beschrijving van Rome als ‘Babylon’
• Sommige beschrijvingen in Openbaring 17 en 18 worden door aanhangers van de late datering geïnterpreteerd als een beeld van Rome
onder Domitianus, en niet specifiek van Nero.
Conclusie
• De vroege datering (voor 70 na Christus) wordt vooral ondersteund door interne aanwijzingen, zoals de nog bestaande tempel,
en de verwijzing naar Nero. Dit wordt vaak gehanteerd door preteristen, die geloven dat veel profetieën van Openbaring al vervuld zijn
in de val van Jeruzalem en de eerste eeuw.
• De late datering (ca. 95-96 na Christus) wordt vooral gesteund door de kerktraditie en externe getuigenissen, met name van Irenaeus.
Opmerkingen over de visie van de Eerste Christenen mbt de datering van het boek Openbaring.
De opvatting van Irenaeus
Irenaeus was een vroege kerkvader die stelde dat Openbaring geschreven werd tijdens het bewind van keizer Domitianus (81-96 na Christus). Hij baseerde zich mogelijk op wat hij van zijn leermeester Polycarpus had gehoord, of hij kon zich hebben vergist over een latere heruitgave van het boek door Johannes zelf. Eusebius, een bekende kerkhistoricus, nam deze visie over in zijn werken. Later echter, in zijn Demonstratio Evangelica, lijkt Eusebius Johannes’ verbanning naar Patmos te verbinden met de tijd van de apostelen Petrus en Paulus, wat op een eerdere datering zou wijzen.
Andere opvattingen en tradities
Tertullianus en Pseudo-Prochorus ondersteunen ook het idee dat Johannes onder Nero (54-68 na Christus) werd verbannen. Dit hangt samen met een oude traditie die beweert dat Johannes eerst in Rome door keizer Nero in een ketel kokende olie werd geworpen, maar dit wonderbaarlijk overleefde, waarna hij naar Patmos werd verbannen. Hoewel dit verhaal waarschijnlijk een legende is, weerspiegelt het de vroege overlevering dat Johannes’ verbanning onder Nero plaatsvond.
De kerkvader Epiphanius beweerde dat Johannes zijn Evangelie schreef in de tijd van Domitianus, maar dat de Openbaring al eerder, vóór Nero’s tijd, was geschreven. Arethas, een latere commentator, noemt Irenaeus’ mening, maar verwerpt die uiteindelijk. Hij en andere vroege uitleggers interpreteerden het zesde zegel in Openbaring als een verwijzing naar de verwoesting van Jeruzalem in 70 na Christus. Dit zou betekenen dat Openbaring vóór deze gebeurtenis geschreven moest zijn.
Syrische en andere vroege kerkelijke overleveringen
De Syrische kerken bewaarden een oude traditie waarin staat dat Johannes door Nero naar Patmos werd verbannen. Dit staat expliciet vermeld in het opschrift van de Syrische vertaling van Openbaring.
Ook een verhaal dat Eusebius overlevert uit Clemens van Alexandrië ondersteunt deze vroege datering. Dit verhaal gaat over een jonge man die na Johannes’ terugkeer van Patmos onder de zorg van een bisschop werd geplaatst, maar later een struikrover werd. Johannes zou hem uiteindelijk weer opzoeken en tot bekering brengen. Dit verhaal impliceert een langere periode tussen Johannes’ terugkeer en zijn oude dag, wat moeilijk te rijmen valt met een verbanning onder Domitianus.
Conclusie
De verschillende opvattingen over de datering van Openbaring en Johannes’ verbanning naar Patmos leiden tot twee hoofdtheorieën:
1. De latere datering (Domitianus, ca. 95 n.Chr.): Ondersteund door Irenaeus en Eusebius, maar mogelijk gebaseerd op een misverstand.
2. De vroegere datering (Nero, ca. 64-68 n.Chr.): Ondersteund door Tertullianus, Pseudo-Prochorus, Epiphanius, Arethas en de Syrische traditie.
De vroege kerkelijke overleveringen en de logische implicaties van Johannes’ leeftijd en activiteiten lijken eerder te wijzen op een datering onder Nero dan onder Domitianus.